03-10-08

Een oud Iers volksverhaal over heksen.

heks-142

De gehoornde vrouwen.

 
Al heel laat op de avond zat een rijke vrouw wol te kaarden. Haar kinderen en dienaren sliepen al. Plotseling werd er op de deur geklopt en riep een stem: "Doe open! Doe open!" - "Wie is daar?" vroeg de vrouw. "Ik ben de heks met één hoorn," werd er geantwoord. De vrouw dacht dat een van haar buren hulp nodig had en deed open. Er kwam een vrouw binnen met een kaarde in haar hand en een hoorn op haar voorhoofd, die daaruit leek te groeien. Ze nam zwijgend plaats bij het vuur en begon haastig wol te kaarden.

Opeens stopte ze en zei: "Waar zijn de vrouwen? Het duurt te lang voor ze er zijn." Toen werd er nog eens op de deur geklopt en opnieuw riep een stem: "Doe open! Doe open!" De rijke vrouw voelde zich verplicht nogmaals open te doen en meteen kwam er een tweede heks binnen, met twee hoorns op haar voorhoofd en een spinnewiel in haar hand.

"Maak ruimte voor me," zei ze. "Ik ben de heks met de twee hoorns." En razendsnel sloeg ze aan het spinnen. En zo werd er steeds weer aangeklopt en werden er steeds meer heksen binnengelaten, totdat er uiteindelijk twaalf vrouwen rond het vuur zaten: de eerste met één hoorn, de laatste met twaalf hoorns. En ze kaardden de wol en lieten hun spinnewielen draaien en weefden en zongen daar met zijn allen een oud versje bij, maar ze zeiden geen woord tegen de vrouw. Vreemd en angstaanjagend waren ze, die twaalf heksen met hun hoorns en hun spinnewielen. De vrouw was doodsbang en wilde opstaan om hulp te halen, maar ze kon zich niet verroeren en geen woord uitbrengen, want de heksen hadden haar betoverd.

Toen zei een van de heksen in het Iers tegen haar: "Sta op, vrouw en maak taart voor ons." De vrouw ging op zoek naar een kom om water uit de put te halen waarmee ze het beslag voor de taart kon aanmaken, maar ze kon geen kom vinden. Toen zeiden de heksen: "Neem maar een zeef en haal daar het water in." Ze ging met de zeef naar de put, maar het water stroomde eruit. Ze kon zo geen water voor de taart halen en ging bij de put zitten huilen.

Op dat ogenblik hoorde ze een stem die zei: "Neem gele klei en mos en vermeng ze. Druk het mengsel in de zeef, zodat het water erin blijft liggen." Dat deed ze en het water voor het beslag bleef in de zeef. Daarop zei de stem: "Ga terug en als je in de noordelijkste hoek van het huis bent, roep dan drie keer uit volle borst: 'De berg van de Fenische vrouwen en de hemel erboven staan in brand.'" Ook dat deed de vrouw. Toen de heksen haar hoorden, slaakten ze een afgrijselijke kreet en vluchtten al krijsend en gillend naar Slievenamon, waar de meesten van hen woonden. Maar de geest van de put raadde de vrouw aan haar huis te beschermen tegen de betovering van de heksen, voor het geval dat ze nog terug zouden komen.

Daarom goot ze allereerst het water waarin ze de voeten van haar kinderen had gewassen - het voetenwater - buiten over de drempel. Vervolgens deelde ze de taart, die de heksen in haar afwezigheid hadden gebakken met bloed van haar slapende kinderen, in stukken en gaf elk kind een stuk in de mond. Toen werden haar kinderen weer gezond. Daarop nam ze de lap die de heksen hadden geweven en legde hem voor de helft in en voor de helft buiten de kist met het hangslot. En ten slotte grendelde ze de deur af met een grote dwarsbalk, zodat de heksen niet meer binnen konden komen. Toen ze dat allemaal had gedaan, wachtte de vrouw af.

Het duurde niet lang voor de heksen terugkwamen. Ze waren woedend en schreeuwden om wraak. "Doe open! Doe open!" schreeuwden ze. "Doe open, voetenwater!" - "Dat kan ik niet," zei het voetenwater. "Ik ben over de grond uitgegoten en ik stroom weg naar zee." - "Doe open, hout en boom en balk!" riepen de heksen tegen de deur. "Dat kan ik niet," zei de deur. "Want ik ben afgegrendeld met een dwarsbalk en kan me niet bewegen." - "Doe open, taart die we hebben gebakken met bloed!" riepen de heksen nu. "Dat kan ik niet," zei de taart. "Want ik ben in stukken gebroken en mijn bloed ligt op de lippen van de slapende kinderen."

Toen vlogen de heksen al krijsend terug naar Slievenamon en ze vervloekten de geest van de put, die hen te gronde had willen richten. Maar de vrouw en het huis lieten ze met rust en de vrouw hing een mantel aan de muur die een van de heksen in de lucht had laten vallen, ter herinnering aan die nacht. Deze mantel bleef nog vijfhonderd jaar in het bezit van haar nakomelingen, die hem van generatie op generatie doorgaven.

08:15 Gepost door Linda in Volksverhaal | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

02-08-08

Peegie.

                           

Peegie, de fictieve volkse figuur uit de boeken van Willem Denys, leefde op de Nieuwmarkt. Hij maakte het wel en het wee van de leurders van dichtbij mee.

Op een boogscheute van de eerbiedwaardige Sint-Michielstoren, naar het westen toe, wonen de Nieuwmarkters. De rest van Roeselare ligt langs de andere kant. Zij leven sinds eeuwen volgens ongeschreven geplogendheden en stijl. Zij kennen elkaar en als zij weten wie Tarzan en Tanite en Sissen zijn, volstaat dat. Zij zijn van oordeel dat daar eigenlijk niemand zaken mee heeft, zelfs de politiecommissaris en vooral de controleur niet.

Nieuwmarkters zijn kloeke, stoere mannen die wel ter tale zijn en bewust van hun zelfstandigheid. Zij kennen en eren hun voorouders. Daarvan getuigen de de statige grafkapellen op het Oude Kerkhof die ieder jaar met schuim en loog worden geschuurd en opgeblonken door ‘t vrouwvolk.

Zo zijn ook hun huizen, kraaknet en zindelijk, daar waken de vrouwen over en ‘t mansvolk, hoe stoer zij ook mogen zijn aanvaardt en ondergaat die heerschappij al eeuwen lang. Ieder jaar trekken zij op triem door gans het land en tot in het verre Lourdes toe. Het zijn eerlijke maar terzelfdertijd gewiekste verkopers. Er wordt hard en met grote inzet gewerkt tijdens de triem en het legt dan ook geen windeieren.

Zo hard als er gewerkt wordt, met dezelfde overgave wordt er uitbundig gevierd als zij tegen Roeselare Kermis weer thuiskomen. In De Beurs, dé danszaal in Roeselare ontmoeten de Antnetjies de Peegies, de Julietjies de jonge Cesars onder het waakzaam oog van patriarchen die aan de toog voor ‘t zeggen hebben. En als daaruit, bij naleven van eeuwenoud gebruik en fatsoen, nen trouw ontstaat, dan breekt de vreugde volop los. De schoenwinkels, de naaistringen en de traiteurs van gans Roeselare weten dat alleen het beste en het schoonste goed genoeg is. De kerk wordt gepint en versierd met een zee van bloemen, met baldakijn en rode lopers. Het mag al kosten wat het wil, want zoals de Nieuwmarkt viert kan niemand vieren. Den deken moet ook leven, zeggen zij.

Het boek Peegie bestaat uit twee delen 'Peegie en Peegie zijn triem door 't leven'. Zeker de moeite om beide delen aan te kopen. Een aanrader.

08:00 Gepost door Linda in Volksverhaal | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook |

30-07-08

De kabouters van Linden

                        

In Linden bewoonde Pieter een boerderij, die gebouwd was op de stokoude grondvesten van een kabouterkasteel. Die kleine wezens knapten allerlei karweien op voor wat voedsel. Zelfs de proost van de Sint-Geertruiabdij riep hun hulp in, om een toren aan zijn kerk te bouwen. In minder dan twee maanden was het werk af en daarvoor ontvingen de kabouters al de vruchten die de abdij een jaar lang zou opleveren, plus al het gemunte goud waarover de proost beschikte. Ze stopten het goud in een diepe kelder, telden en hertelden het zolang, dat ze op den duur de uitgang van de kelder niet meer wisten en omkwamen van ontbering.

Later werd het kasteel afgebroken en op de grondvesten werd, zoals gezegd, een hoeve opgericht. Al wie er kwam wonen werd door tegenslagen getroffen, vooral Pieter. Soms was het alsof hij schapen hoorden blaten in de kelder, terwijl zijn eigen schapen stierven in de stal, een andere keer werden zijn werklieden op de graanzolder door een spook met klompen bont en blauw geslagen. Soms ook zag Pieter in de omgeving van zijn boerderij een kabouter in jagerskleren, met een meute honden en een leger kabouters, die de hele nacht rond de hoeve dansten terwijl de honden onafgebroken huilden, zodat niemand een oog dicht kon doen.

Pieter wist wel dat op zijn hoeve een peilloos diepe kelder bestond, maar telkens als hij erin wilde afdalen, waaide zijn lamp uit. Ten einde raad riep hij de hulp van een duivelbezweerder in en die ried hem aan een stukje gewijde paaskaars mee te nemen naar de kelder. En ja hoor, dit keer raakte hij tot helemaal beneden in de krocht. Daar vond hij een tafel vol goudstukken en de stoffelijke resten van de kabouters, die hij op het kerkhof liet begraven. Hij behield de goudschat, maar al wat hij ondernam, mislukte en hij stierf zo arm als de straat.

Nog altijd kan men op die plek in Linden een jager met zijn honden zien en soms ook een spook op klompen…

08:00 Gepost door Linda in Volksverhaal | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook |

20-06-07

Drie keer lachte de Leprechaun.

Lange tijd geleden leefde er eens een boer die elke morgen vroeg op stond om naar zijn vee en de oogst te kijken.

Op een mooie morgen ging hij weer naar buiten toen hij een geluid hoorde dat klonk alsof er iemand aan het timmeren was. Hij keek om zich heen en zag dat vlak bij hem een reusachtige paddestoel groeide.

Hij was verbaasd over de grootte van de paddestoel, daarom keek hij ook beter.  En wat ontdekte hij daar?

Niets anders dan een Leprechaun die een paar schoenen maakte.  De boer sprong op hem toe en kreeg het kereltje te pakken.

,Ik heb al lang  naar je uitgekeken,’ riep hij, jou houd ik vast tot je me verklapt waar ik rijkdommen kan vinden.’

Er wordt namelijk beweerd dat de Denen toen zij Ierland verlieten, heel wat geld hadden begraven en dat alleen de Leprechauns weten waar het te vinden is.

,Ik kan je niets zeggen, ‘riep het kleine groene mannetje, ,ik weet niets van schatten en geld.’

,Spreken,’schreeuwde de boer, , of ik snijd je hoofd af.’

,Ik weet niets, ik weet niets, ‘jammerde de Leprechaun.

De boer droeg hem het huis in en sloot hem daar in een grote kist op .

Zeven jaar hield hij hem gevangen.

Op een dag toen de boer aan de kust ging wandelen, vond hij een groot stuk hout dat door de vloed aan land was gespoeld.Hij verkocht het aan een andere man en toen hij van deze zaak thuis kwam, hoorde hij de Leprechaun in de kist lachen.

Eerst lette de boer daar niet verder op, maar toen de zeven jaar vol waren, haalde hij de Leprechaun uit de kist.

,Verklap je me waar een schat ligt?’

,Ik weet van geen schat af.’

,Waarom lachte je dan?’

,Je mag toch zeker wel lachen,’ zei de Leprechaun.

,Ik zal je leren lachen,’ antwoordde de boer.  ,Ik zal je nog eens zeven jaar in de kist opsluiten, daarna zul je me wel zeggen waar ik naar de schat moet zoeken.’

Op een dag, kort daarop, kwam er een oude man langs de boerderij. De boer zat te ontbijten en hij nodigde de arme man uit bij hem aan tafel plaats te nemen en mee te eten.

,Nee dank je, ik moet snel verder,’ antwoordde de oude man.

Nauwelijks was de oude man weg of de boer brak een been. Weer lachte de Leprechaun, en weer lette de boer er niet verder op.

Maar toen er weer zeven jaar om waren, haalde hij de kleine man voor de tweede keer uit de kist.

,Als je me nu niet zegt waar ik een schat kan vinden, sla ik je  werkelijk je hoofd af,’ schreeuwde hij naar hem.

,Doe wat je niet laten kunt. Ik kan  je niets zeggen,’ antwoordde de Leprechaun.

De boer sloot hem woedend weer in de kist op. Korte tijd later hoorde de Leprechaun in zijn gevangenis dat de boer zei dat hij naar de jaarmarkt wilde .

Als iemand  in die tijd wat geld bezat, begroef hij het in de aarde, omdat hij vreesde dat het ergens anders gestolen kon worden. En waren  toen veel dieven en een paar van hen leven ook nu nog.

Eer de boer weg ging naar de jaarmarkt,  ging hij naar zijn schuilplaats om wat van zijn geld te halen.  Dat werd door dieven gezien.

De boer ging naar de jaarmarkt. De boer kwam weer thuis en wederom lachte de Leprechaun.

Woedend sprong de man naar de kist, pakte de Leprechaun in zijn nek en hield hem hoog in de lucht.

,Dat is nu al de derde keer dat je lacht sedert ik je heb gevangen,’ zei hij, , wat valt er te lachen?’

,Er zijn veel dingen die menigeen  beter niet kan weten,’ zei de Lepraechaun.

,Genoeg  van dat stomme geklets,’ schreeuwde de boer naar hem, , ik laat me niet langer voor de gek houden. Zeg me direct waarom je lachte.’    

,Ben je er heel zeker van dat je het wilt weten,’ vroeg de Lepraechaun.

,Wat anders… Vooruit dus met de waarheid!’

,Nu,’ zei de Lepraechaun,  ,je herinnert je zeker nog de dag dat je een grote balk bij de zee vond!’

,Ja en,’ vroeg de boer.

,De balk was hol en zat vol geld. De man aan wie je de balk verkocht is rijk geworden.’

;Dat kan waar zijn,’ zei de boer, ,maar vertel me nu ook waarom je de tweede keer lachte!’

,Ach, waarom wil je dat weten,’

,Zeg het maar.’

,Nu goed,’ zei de Lepraechaun, ,je herinnert je zeker ook nog de dag dat hier een oude man voorbij kwam.

Je nodigde hem uit met je mee te eten en hij wees het af. Toen hij je uitnodiging afsloeg, sloeg hij daarmee ook je geluk neer. En hij was nog niet lang weg of je brak je been. Zou hij bij je zijn blijven eten, dan was het gevaar aan je voorbij gegaan .’

,En zeg me nu ook nog waarom je voor de derde keer lachte,’

,Bespaar me dat ,’ zei de Lepraechaun,,je zult je er alleen maar aan ergeren als je het weet.’

,Ik wil het weten.’

,Goed dan,’ zei de Lepraechaun, ,toen je je klaar maakte om naar de jaarmarkt te gaan, haalde je uit je bergplaats op het veld wat geld.  Je stak een paar munten in je zak. Maar dieven loerden je af. Toen je op de jaarmarkt was, kwamen ze terug naar de plek en stalen de rest van je.

Woedend rende de boer naar buiten om zijn geld te zoeken.

Spinnijdig was hij , zodat hij vergat de Lepraechaun weer op te sluiten  giechelend rende  het kleine groene mannetje weg.

De boer liep naar de akker. Hij groef daar. Hij zocht naar het geld en vond het nergens.

En als de Lepraechaun hem niet vantevoren had gezegd dat het was gestolen, dan zou hij zeker  bij het zoeken het laatste restje verstand verloren hebben dat hij nog bezat.

07:44 Gepost door Linda in Volksverhaal | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

03-03-07

Het verhaal van de soepsteen.

                                                          

Er was eens een vagebond die door het land trok en zich zo goed en zo kwaad als het ging door het leven sloeg.

Vaak bleef zijn maag leeg en de wind floot door zijn versleten kleren. Op een dag vond de man dat een warm soepje hem goed zou doen. Wel bezat hij geen penny, maar hij wist dat in een boerenhuis in de buurt een vrouw woonde die wat simpel was. Dus besloot hij daar zijn geluk te beproeven.

Bij de rivier zocht hij een mooie ronde steen uit die de grootte van een appel bezat. Toen liep hij naar het boerenhuis en vroeg de vrouw of hij misschien een pan en wat schoon water kon krijgen. Toen de pan met het water voor hem stond, waste hij de steen tot die helemaal schoon was en glom. De boerin stond erbij en keek verwonderd toe. 'Je geeft je veel moeite voor die steen,' zei ze. 'Waarom niet, goede vrouw' antwoorde de vagebond, 'het is immers ook een soepsteen.'

'Een soepsteen?' vroeg de vrouw verwonderd, 'betekent dat soms dat je met deze steen soep kan koken?'

'Zeker' antwoorde de vagebond zonder van zijn werk op te kijken 'en zelfs een heel bijzonder smakelijke soep'.

'Wat zeg je nou? En kan iedereen dat?'

'Er is niets op tegen' zei de vagebond, 'natuurlijk heb je er wel een beetje verstand voor nodig.'

'Ja dan...' zei de vrouw verbaasd, 'wil je me mischien verklappen hoe je zo'n soep van die soepsteen maakt?'

'Met genoegen, beste vrouw,' riep de hongerige man uit.

Hij gooide het vuile water weg, liep met de vrouw het huis in, zette de pan op het vuur, goot er een halve liter schoon water in en legde er toen voorzichtig de steen bij.

'Zo' zei hij en wreef in zijn handen, 'nu kunnen we beginnen met het koken'.

De vrouw keek oplettend toe, opdat haar geen enkele handeling ontging. 'Wat peper en zout zouden geen kwaad kunnen, 'mompelde de hongerige man.

De boerenvrouw rende al weg om de kruiden te halen. Het water begon te koken en de hongerige man fronste zijn voorhoofd: 'het bindt niet genoeg,' zei de man als bij zichzelf, 'een snuifje meel zou er nog bij moeten.'

De vrouw gaf hem gauw het meel aan.

De man roerde. De vrouw staarde geboeid naar de steen op de bodem van de pan, die nu nog slechts onduidelijk te zien was. 'Ach, 'zei de vagebond, 'ik zie daar een bot schapenbout dat je zeker aan je hond wilde geven'. Dat is beter op zijn plaats in onze soep.

De boerenvrouw was eigenlijk helemaal niet van plan het bot schapenbout aan haar hond te voeren, want er zat nog een stuk vlees aan , maar opdat haar niets zou ontgaan, gehoorzaamde zij de vagebond zonder tegenspraak.

De man proefde de soep:'...smaakt goed en krachtig. Er ontbreken alleen nog een paar aardappelen.'

En zonder zich om de vrouw te bekommeren die haar ogen niet van de borrelende soep in de pan nam, schilde de arme hongerige man een half dozijn aardappelen en sneed die in de soep.

'De steen kookt goed uit' verklaarde hij nadat hij nogmaals geproefd had, 'maar weet je wat de soep op smaak af zou kunnen maken? Een paar uien!' Zo gezegd, zo gedaan. De hongerige man sneed de uien en gooide ze in de pan. 'Zo' verkondigde hij, 'nu zijn we klaar. En dat zal je smaken...zo'n goede soep heb je nog nooit gegeten'.

'Wil je direct eens proeven?'

'Een beetje maar' zei de boerenvrouw,  'ik heb net mijn middageten op. Hier is een klein bord. Als je daar wat voor me in wilt doen. O ja...het smaakt voortreffelijk. Dat zo'n soepsteen wonderen kan doen! Kun je me de steen niet verkopen?'

'Ik geef je hem cadeau, ' zei de vagebond royaal, terwijl de warme soep prettig door zijn koude en uitgehongerde lichaam in zijn maag stroomde. 'Dat is al te goed' zei de boerenvrouw, 'maar dan moet je me een plezier doen, en ook een paar kleinigheden van mij aannemen. Wat tabak, een stuk spek...en hier, neem ook nog dit flesje met zelfgemaakte jenever. Ik laat me niet graag door iemand in goedgeefsheid overtreffen.'

De vagebond bedankte haar. Hij had zijn soep op. Hij stak de geschenken in zijn zakken en stond op.

'Hartelijk bedankt, goed vrouw, ' zei hij, 'nu moet ik weer verder om ook elders aan de mensen te tonen hoe je met een soepsteen omgaat. Het beste en veel geluk!'

Daarop ging hij weer op weg. De simpele vrouw bleef bij haar buurvrouwen maar doorzagen over de heerlijke soep die je met een soepsteen kunt maken. En daar zij zich ook iedere keer precies aan het recept van de landloper hield, lukten haar soepjes met de soepsteen steeds heel voortreffelijk.

15:30 Gepost door Linda in Volksverhaal | Permalink | Commentaren (0) | Tags: met dank aan marianne |  Facebook |