29-12-08

Nieuwjaarskaarten

Na 1460 zijn er een 30-tal Duitse en Zwitserse gravures bekend met een nieuwjaarsafbeelding. Er is er ook één Nederlandse bekend van voor 1500. Ze zijn dus ontstaan samen met het ontstaan van de boekdrukkunst. Wat later, in de 17de eeuw zijn meer prenten bekend, met ook voorbeelden uit bijvoorbeeld Amsterdam. Daarbij werden bedelende groepen afgebeeld, waarop personen hun nieuwjaarswensen aanbieden en anderen de giften incasseren. In het begin van de 18de eeuw zijn er ook prenten bekend uit het Antwerpse. Het ging om devotieprenten die de drager waren van nieuwjaarswensen. Het ging echter niet om een nieuw soort praktijk, want er zijn voorbeelden van gelijkaardig gebruik ten tijde van Moretus.

Op de prenten stond vaak Jezus afgebeeld met een zogenaamd vollaard. Dit is een Vlaams-Brabants nieuwjaarsbrood, dat meestal werd voorzien van een munt of een zegel. Het werd gebakken in de vorm van een lange ruit en versierd met suiker. Er werd een munt op aangebracht met een afbeelding, bijvoorbeeld van een steigerend paard. Deze peperkoek was geliefkoosde snoeperij van vele kinderen en ook nu nog zien we vaak nog deze nieuwjaarspeperkoek opduiken.



Doorbraak van de nieuwjaarsprenten

In de 18de eeuw was er een grote opkomst van de gedrukte nieuwjaarswens. Bij allerlei beroepen was het de gewoonte om van deur tot deur te gaan, zoals bijvoorbeeld bij postverdelers of vuilophalers. Ze gingen toen van deur tot deur en presenteerden met nieuwjaarsprenten op hout, gegraveerd met een nieuwjaarswens, die ze dan inruilden tegen geld of voedsel. Dit waren geen kleine giften, want er waren natuurlijk onkosten verbonden aan het laten houtsnijden en drukken van de prenten.

Op het einde van de 18de eeuw en het begin van de 19de eeuw werden de brieven uitgevoerd in hout- of kopergravures van 35 op 35 centimeter. Ze waren voor kinderen om hun wensen aan te bieden aan hun ouders, net zoals diensters dat deden aan hun meester of verliefden aan hun verloofde. Er was in het midden van de kaarten ruimte opengelaten om iets in te schrijven. Rond deze periode begonnen de kaarten dan ook in serie op te duiken. De afbeeldingen en nieuwjaarsprenten werden daarbij gefabriceerd aan de lopende band gebaseerd op een aantal vaste modellen. De meesters van de huidige scholen hadden daarbij elk hun eigen voorbeelden opgesteld van nieuwjaarswensen en nieuwjaarsbrieven.

Nieuwjaarsprenten doorheen de 20ste eeuw

In het begin van de 20ste eeuw ging het gebruik van nieuwjaarsbrieven in Nederland wat verloren. Dit verloren gaan van een oude traditie ging gelijk met de opkomst van de nieuwjaarsprenten, die toen met de post werd rondgebracht. In Vlaanderen is men altijd nieuwjaarsbrieven blijven voorlezen, voorzien van nieuwjaarsprenten. Deze prenten hebben in de 20ste eeuw nog een hele evolutie gekend. In de unieke verzameling van Nelly Haelterman vallen er een aantal duidelijke trends op.

De brieven in haar collectie tot het begin van de 20ste eeuw getuigen vaak van een bourgeoismentaliteit en waren vooral in het Frans opgesteld. Bij de brieven rond 1920 is er in de collectie vooral een kenmerk van de stijlen "art déco en "Jugendstil". Deze brieven werden opgesteld in kalligrafisch schrift, waarbij de leraar de teksten opstelde in potlood en de leerlingen deze teksten dan overschreven met pen en inkt. Rond 1930 werden de brieven luxueuzer. Zo zien we brieven ontstaan met uitklapbare engeltjes. Ook werden steeds meer kenmerken van de geloofscultuur zichtbaar. Zo waren er afbeeldingen van Jezus, het Heilig Hart, de heilige Theresia, Sint Antonius, etc. Ook werden er vaak symbolen ingewerkt in de afbeeldingen van nieuwjaarsbrieven, zoals de zogenaamde geluksbrengers al het klavertjevier, het hoefijzer en de paddestoel. Met de intrede van de geloofsovertuiging komen er ook nieuwe waarden naar de voorgrond. Er wordt bijvoorbeeld de nadruk gelegd op het geloof en het respect voor de ouders. In de oorlogsjaren waren er verder naast de traditionele wensen ook wensen van vrede uitgesproken of werden nieuwjaarsbrieven gericht naar familieleden op het front.

De afbeeldingen in de jaren 50 en 60 waren vaak iets minder religieus getint en probeerden vooral de gezellige, zachte en mysterieuze eindejaarssfeer in beeld te brengen. Bijvoorbeeld door afbeeldingen van met sneeuw bezaaide landschappen en dennenbomen. In de jaren 70 ontstaan vaak zelfgemaakte nieuwjaarsbrieven. Deze periode was de creatieve periode. In de jaren 80 duiken er ook stripfiguren en fantasie op in de afbeeldingen op de nieuwjaarsbrieven. Zo zien we brieven van Jommeke en van Mickey Mouse ontstaan en afbeeldingen van levende sneeuwmannen. Afbeeldingen op brieven zijn meer commercieel gedreven en worden massaal gepubliceerd. De brieven werden in de jaren 90 meestal nog met vulpen geschreven maar worden nu meestal met balpen geschreven. Soms worden de brieven ook gedrukt of wordt de brief voorzien van afbeeldingen. Dit is meestal het geval bij peuters die nog niet kunnen lezen maar zich kunnen laten leiden door de afbeeldingen tijdens het opdragen van hun nieuwjaarsbrief.

08:00 Gepost door Linda in Volkscultuur | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook |

27-12-08

Nieuwjaarsbrief

Familie Moretus
 
De geschiedenis van de nieuwjaarsbrief begint bij de familie Moretus te Antwerpen, op een januari 1589, de laatste nieuwjaar van de alomgekende Christoffel Plantijn (1520-1589). Hij was op dat ogenblik zwaar ziek en de wereldberoemde drukkerij en uitgeverij stond onder een enorme druk. In Antwerpen was er een crisis die volgde op de oorlogsjaren, de religieuze troebelen en de overgave van Antwerpen in 1585. Er waren nog slechts 4 van de 16 drukpersen in werking. Toen Plantijn stierf in juli 1589, ging de Gulden Passer naar zijn schoonzoon Jan Moretus (Moerentorf) (1543-1610). Die was jong in de zaak gekomen als hulpjongen na zijn huwelijk met Martina, en maakte sterke carrière. Zijn lijfspreuk was ‘Rex Morus’, wat volgens de traditie uit de Middeleeuwen verwijst naar de drie koningen die Jezus opzochten in Betlehem volgens de Bijbelse overlevering. ‘Rex Morus’ verwijst naar Melchior, de zwarte koning en alchemist van de Moren. Moretus gaf zijn drie oudste zonen dezelfde namen als die van de drie koningen, namelijk Melchior, Gaspar en Balthasar. Op 1 januari 1573 schreef Moretus een nieuwjaarsbrief naar zijn schoonvader Plantijn over de betekenis van de Latijnse uitdrukkingen Rex Morus en het motto Ratione Recta.

In die periode begon nieuwjaar overal nog op een verschillend tijdstip. In het jaar 1563 besliste Karel IX dat 1 januari in het vervolg nieuwjaarsdag zou zijn. Ongeveer tien jaar later werd in de Zuidelijke Nederlanden hetzelfde beslist. In 1582 werd dan de Gregoriaanse kalender ingevoerd en werd 1 januari de nieuwjaarsdag in heel Europa. Later werd 1 januari ook de nieuwjaarsdag elders in de wereld, met tot op vandaag de zeer grote uitzondering van het Chinese nieuwjaar.
 
1926 nieuwjaarsbrief
 
Moretus bouwde een clausule in zijn testament dat de hele Officina, met onder andere ook de familiearchieven van de drukpersfamilie, telkens aan de meest bekwame afstammeling zou worden nagelaten. Daardoor is er nu een enorme schat aan informatie bewaard gebleven, zowel op bedrijfsvlak als op privé-vlak. Zo werden bijvoorbeeld gelegenheidsgedichtjes van de tienerzonen van Moretus bewaard. En het is deze overlevering die een aantal grote inzichten biedt in wat er ten huize de Gulden Passer allemaal gebeurde op 1 januari. De tienerzonen van Moretus lazen nieuwjaarsbrieven voor in aanwezigheid van hun vader en hun grootvader!

 
nieuwjaarsbrieven 1960 01
 

Een voorbeeld is de nieuwjaarsbrief die Balthasar op 1 januari 1589 voordroeg aan zijn grootvader. De brief was opgesteld in het Latijn en was opgesteld in dichtvorm. Hij schreef dat vrede het meest kostbare is op aarde en dat geschenken vrede kunnen bevestigen en versterken. Hij schreef over de verzoening van Agamemnon en Achilles in Troje, door middel van giften. Hij schreef over het ijzerkruid dat de godin Strenia aan sterveling Tatius had geschonken. De mensen op aarde hebben die klassieke en goddelijke voorbeelden overgenomen door elkaar op nieuwjaarsdag geschenken te geven, zo zei Balthasar. Zo komt het dat tegenwoordig grootvaders hun kleinzoon op nieuwjaarsdag een mooi geschenk geven, aldus Balthasar. Zeker als die hem via het voorlezen en overhandigen van een brief zijn wensen aanbiedt.

De grootvader en vader van Balthasar lieten Balthasar dit spel op nieuwjaar en andere feestdagen spelen en beloonden zijn bedelwensbrieven niet met snoep of geld, maar met drukwerken. Zo bedelde Balthasar bij zijn vader op de nieuwjaar van 1590 naar de verzamelde werken van de bekende schrijver Cicero. Het jaar daarop gaat hij verder in op Janus, die naam en gezicht schonk aan de maand januari. Heel mooi is ook de uitdrukking “munerum animus optimus” die hij aanhaalde. Dit staat voor “de wijze van geven heeft meer waarde dan hetgeen men geeft”. Zo bood hij zijn gedicht als geschenk aan. Leuk detail is ook dat Balthasar nieuwjaarsgedichten schreef voor zijn broers. Schrijven vele families momenteel niet nog altijd kaartjes naar elkaar op nieuwjaar en tijdens de feestdagen?

 

Het schrijven van een nieuwjaarsbrief is een echt Vlaamse traditie.

Laat ons fier zijn op die traditie en ze verder zetten...

11:50 Gepost door Linda in Volkscultuur | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

30-07-07

Oud Iers gebed

Neem de tijd om te werken,

dat is de prijs voor succes.

 

Neem de tijd om te denken,

dat is de bron van de macht.

 

Neem de tijd om te spelen,

dat is het geheim van de eeuwige jeugd.

 

Neem de tijd om te lezen,

dat is de grondslag van wijsheid.

 

Neem de tijd om aardig te zijn,

dat is de weg naar geluk.

 

Neem de tijd om te dromen,

dat is de manier om hoog te mikken.

 

Neem de tijd om te beminnen,

en bemind te worden,

dat is het voorrecht van de goden.

 

Neem de tijd om eens om u heen te kijken,

de dag is te kort om zelfzuchtig te zijn.

 

Neem de tijd om te lachen,

dat is de muziek van de ziel.

11:12 Gepost door Linda in Volkscultuur | Permalink | Commentaren (16) | Tags: auteur onbekend |  Facebook |

08-04-07

Het paassymbool.

Net als andere feesten is ook pasen een feest vol symboliek. De paashaas, het ei en de paasvuren zijn een paar van de bekenste voorbeelden. Waar hebben we deze symbolen eigenlijk aan te danken?

Het ei.

Het maakt niets uit of je de heidense of christelijke versie van het feest voor ogen hebt. Het ei is bijna overal ter wereld symbool van de opstanding en dus het symbool voor pasen.

Al eeuwen lang worden eieren beschilderd, vroeger kleurde men eieren in de kleuren van het altaar en liet men ze in de kerk wijden. Vanuit niet christelijk oogpunt waren de heldere kleuren waarmee eieren werden beschilderd een weerspiegeling van het zonlicht in de lente. Er werden vroeger ook al eierrolwedstrijden gehouden en eieren werden uitgewisseld tussen geliefden of, zoals in de Middeleeuwen, aan bedienden cadeau gedaan. Het verstoppen van eieren hebben we te danken aan de oude gewoonte om eieren in akkers te begraven om deze vruchtbaar te maken. Nog steeds staan ouders op paaszondag voor dag en dauw op om eieren te verstoppen die de kinderen even later met veel plezier zoeken.

De haas.

  

De Paashaas is wel een heel bijzonder dier. Niet alleen is hij onzichtbaar, maar ook zou hij een gouden vacht hebben.

Niet zo vreemd dat over zijn ontstaan verschillende verhalen de ronde doen. Net als het ei, is de haas - vanwege zijn voortplantingsdrang - te zien als vruchtbaarheidssymbool. Het was niet voor niets een van de symbolen van de vruchtbaarheidsgodin Isjtar. Het konijn had voor ons wellicht meer voor de hand gelegen. Dit diertje werd echter pas in de middeleeuwen in ons land gesignaleerd.

Een ander verhaal vertelt dat de paashaas eigenlijk een vogel is die zich zo had misdragen, dat hij voor straf in een haas werd veranderd. Nu mag hij nog maar één keer per jaar eieren leggen, die hij goed moet verstoppen. De meest logische verklaring lijkt wel te zijn dat eieren die door vogels in verlaten hazelegers werden gelegd, per ongeluk werden aangezien voor 'hazeneieren'.

Het eerste eetbare paashaasje werd begin 1800 in Duitsland gemaakt van deeg en suiker. De paashaas werd door Duitse immigranten in de achttiende eeuw meegenomen naar Amerika. In die tijd bouwden kinderen een nest waarin de paashaas zijn eitjes kon achterlaten.

Het Paasvuur.

Het paasvuur stamt uit de heidense oorsprong van ons Paasfeest. Vroeger werden op heuveltoppen vuren aangestoken om de demonen van de winter te verjagen. Vuur staat al eeuwen lang symbool voor reiniging en vruchtbaarheid.

De Paaskaart.

Of het een Paassymbool is of wordt, is niet bekend, maar feit is wel dat ieder jaar steeds meer kaarten worden verstuurd.

De Palmpasenstok.

De palmpasenstok heeft de vorm van een kruis en wordt met een aantal traditionele symbolen versierd. Allereerst de groene takjes: meestal buxus. Deze verwijzen naar de intocht van jezus, die op een ezeltje Jeruzalem binnen reed. Hij werd hierbij ingehaald door mensen die hem met palmtakken toezwaaien. Ronde vormen, kransen, mogen niet ontbreken, als symbool van de kringloop van het jaar en van het leven. Van oudsher zit er zelfs, een hoepel om de stok. Bovenop de stok wordt een haantje van brooddeeg geprikt. De haan is het symbool van Jezus: hij kraait als de zon opkomt, maakt je wakker en vertelt je dat het licht eraan komt. Bovendien draaien haantjes op kerktorens hun snavel tegen de wind: een vogel met durf. Een andere verklaring is dat het haantje verwijst naar Petrus. Voordat de haan kraaide had hij drie keer gezegd dat hij Jezus niet kende. Deeg is daarnaast een teken van leven en kiemkracht. Het snoep dat tenslotte aan de stok wordt gehangen, geeft aan dat palmpasen een feest is. Een andere plausibele verklaring van de symboliek van de palmpaasstok is dat deze verwijst naar de goede week:

Goede vrijdag: het houten kruis

Palmpasen: de palmtakjes

Witte donderdag: de broodkip (het breken en delen van het brood bij het laatste avondmaal)

Pasen: eieren als teken van nieuw leven.

00:00 Gepost door Linda in Volkscultuur | Permalink | Commentaren (2) | Tags: met dank aan van harte b v |  Facebook |

01-04-07

1 April

Op één april zend je de zotten waar je wil!

                                                                

Een gebruik dat in de loop van de laatste decennia verloren is gegaan is de gewoonte om op 1 april iemand bij de neus te nemen.

In feite bestond de grap erin dat een kleine, een onnozele bloed of een lichtgelovige om een belachelijke boodschap bij een buurman werd gestuurd, onder het voorwensel dat men iets niet in huis had en dat men ervan overtuigd was dat de buurman of de winkelier het wel zou hebben.

Deze gewoonte moet vroeger zowat overal en in alle standen van de maatschappij gangbaar zijn geweest, maar in de loop van de 19e euw begon die al af te nemen. Guido Gezelle schrijft in 1866 (Rond den Heerd, 1e jg.,p.137): "Een dingen is zeeker:'t is dat dat gebruik van voor Christus geheel de wereld door verspreid is, of was liever, want het sterft uit."

Verzenderkensdag

In Vlaanderen werd 1 april 'Verzenderkensdag' genoemd, de Engelsen kennen een gelijkaardige variante, nl. 'All fools' day'. De persoon die men beet nam werd een 'Aprilgek' of een 'Aprilzot' genoemd. De Engelsen bestempelden zo iemand als een 'April-fool' en de Duitsers spraken over een 'Aprilnarr'.

De zogenaamde 'Aprilsgrap' werd door de Fransen een 'Poisson d'avril' genoemd en op zijn beurt vertaalde de Vlaming dit Franse woord en maakte er een 'Aprilvis' van.

Iedere Vlaming heeft ooit wel eens het spottende rijmpje gehoord: "In april zend je de zotten waar je wil". Maar onze buurlanden kenden gelijksoortige spotrijmpjes. De Duitsers zeiden: "Am ersten April schickt man die Narren wohin man will" en de Engelsen filosofeerden:"On the first day of april hunt the gawk another mile (Zend op 1 april de gek nog een mijl verder)".

Ontstaan van de Verzenderkensdag

Doorgaans wordt in Vlaanderen en Nederland beweerd dat dit gebruik zou ontstaan zijn toen de Watergeuzen Den Briel innamen op 1 april 1572. Het rijmpje dat hierop allusie maakt, is overbekend.

Op één april verloor Alva zijn bril!

Maar aangezien aprilgrappen niet alleen in de Nederlanden, maar blijkens de hierboven aangehaalde uitdrukkingen en spreekwoorden ook in de naburige landen, zelfs in heel Europa en tot in India bekend zijn, en aangezien deze grappen reeds voor de Middeleeuwen bekend waren, is het onmogelijk dat dit volksvermaak zijn oorsprong zou vinden in zo een beperkt lokale gebeurtenis.

In India hebben we het Holi-feest, een van de meest uitbundige hindoefeesten dat wordt gevierd einde maart, begin april. Om het einde van de winter te vieren gooit men water en rode poeder naar elkaar. ook in Thailand bestaat dit gebruik.

              

Op de vooravond van het Holi-feest worden vreugdevuren aangestoken die de vernietiging van Holika, een slechte god, symboliseren (te vergelijken met het Borellefeest in Dranouter). Maar buiten dit gestoei met water en vuur schijnt het ook het gebruik te zijn dat Indiërs op deze dag argeloze lieden van het kastje naar de muur sturen.

Anderen zoeken de aprilgrap in een overblijfsel van de Romeinse 'Ceralia', die in het begin van april ter ere van Ceres, de godin van de landbouw, gehouden werden en waarbij het landvolk elkaar op alle mogelijke manieren voor de gek hield.

De Italiaanse folklorist Garrea meent dat het ontstaan van de aprilvis toegeschreven mag worden aan het al of niet verschijnen van aanzienlijke scholen vis voor de kusten. Masure zegt ongeveer hetzelfde voor Frankrijk.

Vanwaar komt nu de gewoonte om iemand 'van het kastje naar de muur te sturen' of zoals de dialectsprekers het zo sappig kunnen zeggen: 'van Caïphas naar Pilatus'? Ons bloedeigen dialect en de Franse 'aprilvis' kunnen ons daarbij misschien helpen.

Het Franse woord 'poisson d'avril' schijnt een vervorming te zijn van 'passion d'avril' of 'aprilpassie', een woord, dat in verband is gebracht met het feit dat we in het lijdensverhaal vernemen dat Jezus eerst van Annas naar Caïphas werd gezonden en van Caïphas naar Pilatus, om vervolgens door Pilatus naar Herodes te worden gestuurd en tenslotte van Herodes terug naar Pilatus.

En toch is het gebruik om iemand op 1 april te foppen nog niet helemaal uit de wereld. Het is nog steeds de gewoonte dat kranten en weekbladen, zelfs radio en TV, op 1 april uitpakken met een bericht dat op het eerste gezicht erg geloofwaardig schijnt, maar bij nader toezien een grap blijkt te zijn.

Bibliografie

Celis,Gab.,Het Gentsche volksleven, Gent, 1924,p.44-45

De Cock, A.,spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, Gent, 1905,p.162-167

Flanders John, John Flanders over Folklore, Aartselaar, 1984,p.109-112

Huizinga,Spreekwoorden en gezegden, Baarn, 1994,p.34-35

Rond den Heerd, 1e jg.,1866